03-07-07

Nuttige tips voor "onwetende" ruiters.

DE ONAFHANKELIJKE ZIT

Een goede zit is altijd een eerste vereiste.

De ruiter moet in alle gangen en tijdens alle overgangen perfect zijn evenwicht kunnen bewaren, zonder bewust of onbewust steun te zoeken aan de teugels. Hij moet, wanneer hij zijn paard aanwijzingen (hulpen) geeft, zijn ledematen onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Ook de zithulpen (gewichtshulpen en voorwaarts drijvende hulpen)  mogen geen ongewenste bewegingen van ledematen of een verlies van het evenwicht ten gevolge hebben.

Een voorbeeld:

Wanneer de ruiter het paard met een kuit aandrijft, mag dat geen gevolgen hebben voor zijn handen. Deze mogen niet stijf worden of onbewust meebewegen. De handen moeten het paard natuurlijk wel “toestaan,” datgene te doen, wat de kuit vraagt. De ruiter mag zijn evenwicht niet verliezen ten gevolge van het aandrijven en evenmin  tengevolge van de daarop volgende verandering van tempo of gang.

Deze ruiter heeft een "onafhankelijke zit."  Voor deze ruiter is het mogelijk een paard, op ieder moment de juiste hulpen te geven.

Ruiters moeten hier altijd op blijven oefenen, zelfs al blijft het voor velen een ideaal.

VOOR DE BENEN

Ook wel: "opschieten voor de kuit, of voor het been" genoemd. Dit betekent dat het paard goed reageert op de aandrijvende (en later ook zijwaarts drijvende) hulpen van de kuit.

Dit is in de praktijk één van de grote problemen van het paardrijden. Een kuitdruk is iets waar naar geluisterd moet worden, dus wanneer het paard niet luistert wordt deze hulp onmiddellijk versterkt met het gebruik van de rijzweep.

Het vereist zeer consequent gedrag van de ruiter om een paard voor de benen te maken en te houden. Als ruiter moet je er op staan dat er op iedere kuitdruk een reactie komt.

Bedenk, dat je een paard in principe alles kunt leren. Je kunt hem leren te reageren op een klikje met de tong, een lichte kuitdruk, of een stevige kuitdruk. Veel ruiters leren hun paard echter dat hij niet hoeft te reageren op veel aandrijven en veel tikjes van de zweep.

Een paard dat niet luistert naar de kuitdruk krijgt meteen een goede tik met de zweep. Eén ( en dan bedoel ik ook: 1 ) die het paard voelt en waarop hij reageert werkt veel beter dan 100 kleine tikjes. Die ene stevige tik dwingt respect af, terwijl al die zachte tikjes het paard chagrijnig maken. Een dier houdt van duidelijkheid. Zorg wel dat je die “stevige” tik afmeet aan de gevoeligheid van het paard. Het gaat om een duidelijke reactie. Het is niet de bedoeling om paniek te veroorzaken. Vooral bij een jong paard, dat onze aanwijzingen nog moet leren begrijpen, is een voorzichtige aanpak aan te raden.

Het lijkt vreemd, maar het zijn vaak de paarden met veel looplust die niet voor de benen zijn. Zij hebben de voorwaarts drijvende hulp niet vaak nodig en zijn daardoor niet getraind om op deze hulp te reageren.

DE ZACHTE HAND

Een ruiter mag een paard natuurlijk niet expres in de mond trekken, maar als we over een zachte hand praten hoort daar nog meer bij.

Men spreekt over een "stille hand," wanneer de ruiter in staat is met zijn handen alle bewegingen van de paardenmond te volgen. Hij stoort het paard dus niet in de mond.

Je begrijpt wel dat dit moeilijk is zolang je nog geen onafhankelijke zit hebt.

Wanneer een ruiter naast een stille hand ook nog het vermogen heeft om zijn aanwijzingen (hulpen) met de hand heel licht en precies te doseren, spreekt men over een "zachte hand."

VAN ACHTEREN NAAR VOREN RIJDEN

We gaan er van uit dat de hand van de ruiter pas iets kan doen, nadat de kuit het paard voorwaarts, naar de hand toe, heeft gedreven.

Een paard dat reageert op het aandrijven zal zijn gewicht naar voren willen brengen. Daarbij gaat de neus ook iets naar voren en beneden. Het paard zoekt op die manier de hand op. Ik ga er nu van uit dat het paard vertrouwen heeft in de hand (zie: AANLEUNING). De hand kan dan pas zijn aanwijzing geven. De volgorde in onze aanwijzingen moet dus zijn: eerst (de zit en) het been en dan pas de hand.

CONTACT

De hand van de ruiter neemt via de teugel contact met de mond van het paard. Het initiatief gaat hier uit van de ruiter. Dit contact kan er altijd zijn, ongeacht of het paard de hals strekt, of dat de teugels op maat genomen zijn. De ruiter NEEMT contact en zet daarmee een lichte spanning op de teugel.

NAGEEFLIJKHEID

Een paard dat zelf de spanning op de teugel terug brengt en het bit afkauwt wanneer de hand van de ruiter aanhoudt of weerstand biedt, noemen we: "nageeflijk." Het paard ontspant dan in de kaak en de nek (en in de hals). Het bewijs voor nageeflijkheid vinden we vaak op de lippen van het paard: een dun randje schuim.

Nageeflijkheid is een tegennatuurlijke reactie. Hier ligt dus een moeilijk punt. We moeten het paard duidelijk maken wat wij bedoelen, wanneer wij de druk op het bit verhogen om een (halve) ophouding te maken. Hij moet leren begrijpen dat wij zijn mond geen pijn willen doen, maar dat het de bedoeling is, dat hij nageeft. Een paard heeft altijd de neiging om terug te duwen of te trekken. Denk maar aan een (jong) paard, dat je vooruit probeert te trekken, dat moet leren schikken, wijken voor een kuit, of achterwaarts gaan.

Daar blijkt meteen uit dat "aanleuning zoeken" een natuurlijke reactie is op het contact dat de ruiter zoekt. De tongspier opspannen om tegendruk te geven aan de inwerking van het bit is dus ook een natuurlijke reactie.

Het is alleen de kunst om alle aanwijzingen met de hand zo te doseren, dat de tong wel onder het bit blijft. Daar is nageeflijkheid voor nodig.

 

"Nageeflijkheid" moet je ook ongeveer hetzelfde zien als "voorwaarts zijn". Wanneer je een paard iedere pas moet aandrijven, om hem vooruit te laten gaan, is er iets mis. Je moet met jouw paard afspreken, dat "voorwaarts zijn" iets is dat normaal is. Iets dat, bijna zonder aandrijven, een gewoonte is. "Nageeflijkheid" is ook iets dat je moet afspreken met het paard. Dit is dus ook iets dat je niet iedere pas moet vragen, maar iets dat zo snel mogelijk een gewoonte moet worden.

De nageeflijkheid helpt je vervolgens om de aanleuning licht te houden.

Zo komen aanleuning en nageeflijkheid tot een constante samenwerking.

Dit werkt alleen wanneer het je lukt om "impuls" op te wekken en te houden.

Een hand die constant aan het vragen en aan het rommelen is om een paard "los in de mond" te krijgen of te houden, verstoort tegelijkertijd de aanleuning. Doe niet meer dan nodig is!

DE RUG GEVEN

Eigenlijk vormt dit één geheel met "nageeflijkheid." Het paard ontspant de rug. Nu niet meteen denken dat de rug dan inzakt. Het betekent dat het paard zich niet verzet en de rug dus niet "vastzet" (stijf houdt). Het paard kan dan zijn rug op de juiste manier gebruiken. Hij wordt een "rugganger".

Iedere ruiter voelt meteen het verschil tussen een stijf gehouden rug en een ontspannen rug. Op een ontspannen rug zit je veel makkelijker. Je merkt dat vooral doorzittend in draf en in de galop. De beruchte onafhankelijke zit komt dan ook meteen een stuk dichter bij.

WEERSTAND BIEDEN

Hoe maak je een paard duidelijk dat hij nageeflijk moet worden? Dit is een van de grootste problemen van het paardrijden en ook een van de meest onderschatte.

Het paard moet iets leren, dat tegen zijn natuur ingaat. Zijn natuurlijke reactie is terugduwen en dan doet hij automatisch zelf zijn mond pijn. Als reactie op deze pijn ontstaan allerlei mondproblemen en vervolgens meestal ook nog een vastgezette rug. Een methode om het paard te leren nageeflijk te worden is het weerstand bieden met de hand.

Dit betekent dat de ruiter tijdelijk, door het sluiten (dichtknijpen) van de vingers de spanning op de teugel gaat vergroten. Het doel hiervan is het paard (te dwingen is een lelijk woord, dus zeggen we:) "uit te nodigen" de spanning terug te brengen en dus "nageeflijk" te worden.

De weerstand die de hand biedt is net iets groter dan de weerstand die het paard terug geeft.

Let erop dat je niet teveel spanning op de teugel zet. Een paard is erg sterk en paarden die in paniek raken kunnen hele rare dingen doen.

Geef hem even de tijd om uit te zoeken wat je bedoelt. Hij moet leren begrijpen dat het niet jouw bedoeling is om zijn mond pijn te doen, maar dat hij moet nageven.

Zodra het paard nageeft, moet de hand onmiddellijk ontspannen, anders vraag je om verzet. Als de hand van de ruiter namelijk doorgaat met spanning opbouwen krijgt het paard zijn verdiende beloning: "GEEN PIJN IN DE MOND" niet.

Probeer dit in eerste instantie tijdens het halt houden.

Wanneer het paard nageeft beloon hem dan. Maak hem duidelijk dat dit is wat je bedoelt.

AANLEUNING

Een paard dat vertrouwen heeft in de ZACHTE HAND van de ruiter zoekt contact met de hand. Dit heet "aanleuning," of ook wel "het bit aannemen."  Het initiatief ligt hier dus bij het paard. Zoals onder NAGEEFLIJKHEID reeds is gezegd, is aanleuning in principe een natuurlijke reactie van het paard op het contact zoeken van de hand.

Ook bij de gewichtsverplaatsing naar voren als reactie op het aandrijven komt aanleuning tevoorschijn. Het paard brengt hierbij, als het goed is, de neus iets naar voren en naar beneden en zoekt op deze wijze de hand op.

Ook hier geldt, dat een paard alles te leren valt. Je kunt hem leren met een lichte aanleuning van een paar ons, of met een aanleuning van bijvoorbeeld een kilo te werken. Een lichte aanleuning (weinig gewicht in de handen) is natuurlijk voor het paard, maar ook voor de ruiter prettig.

 

Het is de kunst niet meer aan het paard te vragen dan hij lichamelijk (en geestelijk) aankan. Wanneer je een paard in een houding dwingt, waar hij niet aan toe is qua lenigheid, kracht en handigheid, wreekt zich dat onmiddellijk in de aanleuning.

TOESTAAN

De hand van de ruiter moet het paard "toestaan" uit te voeren, wat de zit en de benen aan het paard vragen.

Laten wij, als voorbeeld, even uitgaan van een paard dat stil staat (teugels op maat):

De kuit en de zit drijven het paard voorwaarts.

De ruiter opent vervolgens de vingers iets en brengt desnoods de hand een klein beetje naar voren.

Hij staat daarmee het paard toe de neus iets voorwaarts en naar beneden te brengen voor de overgang naar de stap.

 

Wanneer dit perfect uitgevoerd wordt, verandert de spanning op de teugel eigenlijk niet. Bij de overgang brengt het paard de neus iets naar voren en naar beneden en dit is precies, wat de hand "toestaat."

 

AANHOUDEN EN OPHOUDING

Wanneer de vingers van de hand gesloten worden en eventueel ook de polsen iets meer gebogen worden, zodat er meer spanning op de teugel gezet wordt, noemt men dit: "aanhouden."

 

De aanwijzing waarbij het aanhouden gebruikt wordt heet: "de ophouding."

De ophouding wordt verdeeld in:

1) DE HALVE OPHOUDING: De ruiter drijft het paard voorwaarts en vangt de opgewekte energie direct daarna weer op door de vingers te sluiten.

Hierbij verandert het tempo niet.

 

In het begin wordt de halve ophouding gebruikt om het paard attent te maken op iets dat jij hem vervolgens gaat vragen. Een soort waarschuwing: "Let op! We gaan iets doen!"

In het volgende stadium is het tevens de bedoeling dat de halve ophouding IMPULS opwekt en dat het paard vervolgens gewicht gaat overbrengen van de voorhand naar de achterhand.

 

WAARSCHUWING: Eerst aandrijven, dan aanhouden. Wanneer je dit op hetzelfde moment doet, vraag je erom, dat het paard zich gaat verzetten.

 

2) DE HELE OPHOUDING: Het aanhouden van de teugel duurt zolang en wordt zo sterk gegeven, dat het paard een overgang maakt naar een langzamere gang, of naar het halt houden.

Officieel mag de uitdrukking: “hele ophouding” alleen voor een overgang naar het halt houden gebruikt worden, maar omdat de term “drie-kwart ophouding” niet bestaat en om het verschil met de halve ophouding (geen verlies van tempo) duidelijk te maken.

Je begrijpt dat het heel handig en eigenlijk gewoon nodig is, dat het paard iets van nageeflijkheid begrijpt voordat je deze aanwijzingen gaat geven. Pas op het moment dat het paard nageeft in reactie op het aanhouden, komt de aanwijzing goed door. Juist omdat zoveel paarden niets van nageeflijkheid begrijpen, verzetten die paarden zich tegen de hand .

IMPULS

Impuls moet je zien als de elektrische lading van een batterij. Impuls is een hoeveelheid energie, die je opslaat, bewaart in je paard.

Impuls is de door de ruiter opgewekte, of de natuurlijke drang naar voren van het paard onder beheersing van de ruiter.

Eén van de geheimen van de rijkunst ligt in de uitdrukking: "onder beheersing van de ruiter."

Of het paard geheel uit zichzelf, of door drijvende hulpen van de ruiter voorwaarts wil gaan, maakt geen verschil. Het gaat er om dat de ruiter deze drang voorwaarts onder controle heeft. De ruiter bepaalt wanneer en vooral ook het tempo waarin het paard voorwaarts mag gaan.

Het is de grote kunst om een deel van die drang naar voren in het paard te bewaren. Het paard mag niet alle energie eruit lopen die in hem zit. De ruiter bewaart, met halve ophoudingen (die dus alleen goed door komen, wanneer het paard gehoorzaamt aan het voorwaarts drijven en vervolgens nageeflijk is), een extra portie energie in het paard. Het gevolg is dat het paard gewicht overbrengt naar het achterbeen, waardoor hij van voren lichter wordt. Door het overbrengen van gewicht van de voorhand naar de achterhand kan hij ook makkelijker nageeflijk blijven. Dit lijkt misschien tegenstrijdig, maar je hebt dus drang naar voren nodig om het paard nageeflijk te houden.

Daarnaast geeft impuls je ook de mogelijkheid om het paard heel snel en precies op het aandrijven van het been te laten reageren. Je moet je paard dus "voor het been" hebben om impuls te kunnen opwekken, maar aan de andere kant helpt die impuls je om hem "scherp" aan het been te krijgen en te houden.

RECHTRICHTEN

Als ik tegenwoordig bij de Z- dressuur kijk, ben ik bang dat dit begrip "recht richten" niet meer in de mode is. Als ik zie hoeveel Z- ruiters problemen hebben met paarden die over de schouder weglopen, geen rechte lijn kunnen lopen, voorkeuren hebben voor wendingen, zijgangen 1 kant op en zelfs nog voor een bepaalde galop, springen mij de tranen in de ogen. Ik denk dat het niet toevallig is, maar dit zijn vaak ook de paarden die in de Z- klasse niet met de neus op, maar achter de loodlijn lopen.

 

De uitdrukking "recht richten" betekent in eerste instantie, dat een paard op een rechte lijn met de voorbenen recht voor de achterbenen loopt. In de praktijk bedoelen we met "recht richten" ook, dat een paard "recht over twee teugels gaat." Dat wil zeggen, dat hij op beide teugels een gelijke aanleuning heeft. Hij loopt met zijn achterbenen in het spoor van de voorbenen. Hij is recht gericht, als hij geen voorkeur meer heeft voor een bepaalde kant (wending, galop, zijgang, e.d.), maar aan beide kanten evenveel ontwikkeld (sterk, lenig en handig) is.

HORIZONTAAL EVENWICHT

Een paard loopt met 60 % van zijn gewicht op de voorhand en met de overige 40 % van zijn gewicht op de achterhand. Het  paard loopt in dit evenwicht meestal met de neus voor de loodlijn.

 

Bij het dressuur rijden proberen wij het paard zover te brengen dat hij, door de achterbenen meer onder het lichaam te brengen, meer gewicht overbrengt op de achterhand. Wanneer het paard zijn gewicht gelijk verdeelt over voor- en achterhand noemen wij dit paard: "in horizontaal evenwicht." Het paard komt nu met de neus op (net iets voor) de loodlijn en draagt de hals in een opwaartse boog.

 

In de zware en de hogere dressuur zien we, als het goed is, bij verschillende oefeningen, dat het paard meer gewicht op de achterhand brengt, dan op de voorhand. Hij moet dan gaan "zitten" op de achterbenen. De gewrichten in de achterhand worden dan meer gebogen en daardoor "zakt" de achterhand. Het hoofd is nog steeds op de loodlijn en de hals is (of lijkt) nog iets meer opgericht.                      DE NEK ALS HOOGSTE PUNT

De nek ligt vlak achter de oren en moet, de oren even niet meegerekend, het hoogste punt zijn wanneer de teugels op maat genomen zijn.

 

Hiermee komen wij nog wel eens problemen tegen. Sommige paarden zijn niet zo gunstig gebouwd en hebben daardoor aanleg voor een zogenaamde "verkeerde knik" in de hals. Je krijgt dan ongeveer hetzelfde resultaat als bij paarden die onder dwang van allerlei hulpteugels, zoals bijvoorbeeld van een slofteugel, geleerd hebben met de hals in de krul te lopen.

Denk nu niet, dat ik het gebruik van hulpteugels afkeur. Het gaat mij meer om de wijze waarop zij (verkeerd) gebruikt of misbruikt worden. 

AAN DE TEUGEL

Dit wordt ook wel eens: "aan het bit rijden" genoemd.

 

Laat ik eens beginnen een misverstand uit de weg te ruimen.

Aan de teugel zegt weinig over de plaats, waar het paard het hoofd draagt. Een paard kan ook aan de teugel zijn terwijl hij de hals aan het strekken is. Ik zal het nog sterker vertellen: "Het is zelfs de ideale manier om de hals te strekken". Een paard kan zelfs nog "aan de teugel" zijn terwijl hij met de neus langs de grond loopt.

 

De combinatie van "aan de teugel", "de teugels op maat gemaakt" en "de nek als hoogste punt" heet: "IN DE HAND GESTELD." 

 

Wat is dan precies "aan de teugel?" Een paard dat voor de benen is, ontspant in de rug, nageeflijk is en aanleuning zoekt!

In welke mate het paard daarbij met de neus in de richting van de loodlijn komt en in welke mate het paard zich meer of minder in horizontaal evenwicht bevindt is afhankelijk van de graad van africhting (B-, L-, M- dressuur of hoger).

 

Er zijn paarden die, dankzij moeder merrie en vader hengst (en de fokker die deze twee bij elkaar bracht) bij de geboorte een mooie opwaarts gebogen hals hebben meegekregen. Zo'n paard zal ook onder de ruiter makkelijk de hals buigen. Dit kan de zaak eenvoudiger maken, maar die gebogen hals betekent niet automatisch dat dit paard "aan de teugel" loopt.

 

Een paard dat op de een of andere manier met de hals in de krul getrokken is, loopt ZEKER NIET "aan de teugel." Het gevaar is groot, dat dit paard nog onvoldoende getraind is, dus te weinig spieren heeft voor deze houding. Het gevolg zal vaak zijn dat hij achter de loodlijn gaat lopen en vervolgens een vorm van verzet gaat vertonen. Het eerste komt men dan vaak het: "Hangen op de hand" tegen. Vaak gevolgd door meer en steeds zwaardere vormen van verzet. 

 
 

10:57 Gepost door Sarah in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: paardrijden, informatie |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.